Stikkenpolderweg

Biezenvelden

Op het Kampereiland vond in de achttiende en negentiende eeuw op grote schaal aanslibbing plaats. Om deze aanslibbing te bevorderen legde men biezenvelden aan. Zo ontstond onder meer de Stikkenpolder, die zijn naam dankt aan het aanplanten van de stekken. Door de nieuwe op- en aanwassen regelmatig in te dijken groeide het Kampereiland uit tot het gebied dat we vandaag de dag kennen. Van de biezen werden matten gemaakt, die men vanaf circa 1700 exporteerde vanuit Genemuiden.


Ruilverkavelingsboerderijen rond 1960 (Erf 156, Stikkenpolderweg 10)

In deze periode zijn er twee typen boerderijen te onderscheiden: bij de één is het bedrijfsgedeelte hoger dan het woonhuis en bij de ander is dit gedeelte lager of gelijk. De boerderijen worden gekenmerkt door een sobere opzet: de woningen hebben een eenvoudige uitstraling en het huis en de schuur zijn meestal door een lage aanbouw met een plat dak aan elkaar verbonden. De woningen zijn niet zo groot en hebben een rechthoekige vorm. Ze zijn opgetrokken in rood baksteen en voorzien van een zadeldak met rode pannen en twee schoorstenen op de uiteinden. Op het erf staan nauwelijks tot geen bijgebouwen, soms bevindt zich er een kapberg of wagenschuur.
Beplanting van de erven

Bomen en moestuinen kenmerkten vroeger de erven op het Kampereiland. De terpboerderijen werden omgeven door linden, iepen en wilgen, terwijl rechthoekige singels karakteristiek waren voor de ruilverkavelingsboerderijen. In de jaren vijftig bestonden die singels vooral uit essen, in de jaren zestig koos men voor wilgen en elzen. Daarnaast had bijna elke boerderij een boomgaard met fruitbomen en een moestuin, waardoor de zelfvoorziening groot was. Erf 156 geeft een goed beeld van hoe een tuin er vroeger uitzag.


Siertuinen

Vanaf de jaren dertig kwam er ruimte voor bescheiden siertuinen. Rijen leilindes beschermden de boerderij tegen zon en wind en op het voorerf plantte men hagen van vlier. Verder werd de tuin gesierd door gras, heesters en bloemborders, plaatste men seringen, hortensia’s en hulst en werd het gras opgefleurd met sneeuwklokjes, tulpen en narcissen.

Aangezien men groente en fruit tegenwoordig vooral in de winkel koopt, zijn de boomgaarden en moestuinen nagenoeg verdwenen. Om het kenmerkende karakter van de erven toch te behouden, krijgen bewoners van het Kampereiland vanuit het project ‘Streekeigen huis en erf’ advies over beplanting.


Vogels op het Kampereiland

Het vogelleven op het Kampereiland wordt bepaald door de graslanden, de manier van boeren en het omringende water. Toen het gebied nog regelmatig overstroomde, waren er op het drassige land vele soorten weidevogels te vinden. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg de leefomgeving een ander karakter. De bewoners boerden intensiever en de Zuiderzeewerken werden aangelegd, waardoor het waterpeil daalde. Hierdoor veranderde de vegetatie en nam het aantal vogelsoorten op het Kampereiland af. Tureluurs, grutto’s, kieviten en scholeksters vind je er nu minder dan voorheen, net als de watersnip, leeuwerik en broedvogel. Ook de kwartelkoning en kemphaan gingen destijds op zoek naar een andere leefomgeving. Daarentegen hebben andere vogelsoorten, die goed gedijen te midden van het nieuwe klimaat, zich in de loop der tijd op het Kampereiland gevestigd. Zo zijn er veel zwanen, eenden en meerkoeten te zien. Ook hebben waterhoentjes, purper- en zilverreigers en allerlei soorten ganzen er hun plek gevonden.


Behoud vogelrijkdom

Van oudsher zoeken rietvogels als de roerdomp, grote karekiet en purperreiger de oevers van het Zwarte Meer op om nesten te bouwen. De afgelopen decennia groeide de rietlanden dicht, waardoor ze ongeschikt werden als broedplaats. Om ervoor te zorgen dat de rietvogels er weer terecht kunnen, heeft Natuurmonumenten een stuk oever ter hoogte van de Stikkenpolderweg hersteld. Naast rietvogels leven hier nu ook reeën, roofvogels en allerlei soorten ganzen.



Terug naar overzicht
 
 
Logo IJsseldelta