Noorderrandweg rechts

650 jaar Kampereiland

Van de dertiende tot de zestiende eeuw was Kampen een van de belangrijkste handelssteden langs de Zuiderzee. Omstreeks 1264 kreeg de stad van de bisschop van Utrecht het recht van aanwas op de linker IJsseloever: het Haatland.
Een eeuw later, in 1363, besloot toenmalige bisschop Jan van Arkel de polder Mastenbroek te verdelen onder de aangrenzende plaatsen. Kampen zag daarvan af en kreeg ter compensatie de Kampereilanden met recht van aanwas. Hiermee verwierf Kampen een gebied van 540 hectare grond dat bestond uit allerlei kleine eilandjes, waaronder Stuurhoop, Seveningen en Heultjes.

In de loop der tijd groeide het Kampereiland door aanslibbing van zee- en rivierklei. Men bevorderde deze aanslibbing door dammen van wilgentakken te plaatsen en biezenvelden te planten, waarachter het vruchtbare slib bleef liggen. Door het Kampereiland op deze manier stapsgewijs in te polderen, ontstond het gebied dat wij vandaag de dag kennen.


Dijkverhoging 1862

Vanaf 1862 werden de dijken rond het Kampereiland flink verbeterd om de vele overstromingen tegen te gaan. Want ook al zorgde de zeeklei voor vruchtbare grond, het stadsbestuur kreeg te maken met behoorlijke schadeposten. Men verhoogde en verzwaarde de dijken tot 2,10 meter boven N.A.P. Later, na grote stormschade in 1884, werden de dijken verder opgehoogd langs de Zuiderzee, de IJssel en rond de Kattenwaard. Ondanks deze maatregelen is de kans op overstromingen op het Kampereiland nog steeds groter dan in de rest van Nederland. Ter vergelijking: langs de grote rivieren is die 1 op 2000, op het Kampereiland 1 op 500.


Garste

De Garste is een oude IJsselloop die in 1603 werd afgedamd. Door IJssellopen af te dammen hoopte het stadsbestuur van Kampen meer water door de overgebleven mondingen te stuwen, zodat ze niet zouden verzanden. Vanaf de Noorderrandweg is een sluisje zichtbaar dat vroeger werd gebruikt om het water op peil te houden. Tijdens de ruilverkaveling in de jaren vijftig is dit sluisje aan beide zijden met grond volgestort.


Sluizen en gemalen

Op het Kampereiland zorgden sluizen en gemalen ervoor dat het water op peil bleef. Tijdens de ruilverkaveling, eind jaren vijftig, werd de waterbeheersing geoptimaliseerd met nieuwe gemalen die het water zowel naar binnen als naar buiten konden pompen. Eén van die gemalen, het Zwaantje, is te zien vanaf de Noorderrandweg. Ook het Gansje bij het Ganzendiep en ’t Raasje aan de IJssel zijn nog steeds werkzaam. Het gemaal Mandjeswaard stamt uit de jaren dertig. Dit gemaal functioneerde zo goed, dat het tijdens de ruilverkaveling als enige bewaard bleef.


Ruilverkavelingsboerderijen rond 1950 (Erf 157, Noorderrandweg 20)

De ruilverkavelingsboerderijen staan niet meer op belten en zijn gebouwd naar een ontwerp van de gemeente Kampen. Het woonhuis en de grote schuur bevinden zich in één gebouw en zijn opgetrokken in roodbruin baksteen. Ze zijn breed en hebben een hoge kap met steile dakhelling, grote wolfeinden en rode dakpannen. De asymmetrische voorgevel heeft drie grote, horizontale woonkamerramen op ongelijke afstand van elkaar en kleine, regelmatig geplaatste vensters op de bovenverdieping. De zijgevel is voorzien van een voordeur met dakvenster en ritmisch gerangschikte, betonnen stalramen. Naast de boerderij staan er op het erf vaak een wagenschuur, mestsilo’s en ligboxstallen.



Terug naar overzicht
 
 
Logo IJsseldelta