Frieseweg / Heultjes

De IJssel als stichter

Aan het begin van onze jaartelling was de IJssel een regenrivier die door een veengebied met zwaar loofbos stroomde. Het water kwam terecht in het Flevomeer en later in het grote Almere. Naarmate de eeuwen verstreken, werd de invloed van de zee steeds groter. Stukken veengebied, waaronder de landbrug tussen Friesland en Noord-Holland, werden weggeslagen. Hierdoor ontstond de Zuiderzee, de monding van de IJssel lag in die tijd ter hoogte van Kampen. Toen de verbinding van de IJssel met de Zuiderzee verbeterde, versnelde de afvoer van het water. Bovenstrooms werd veel zand en rivierklei losgewoeld dat in het mondingsgebied neerstreek. Er ontstonden zandplaten waartussen de IJssel zijn weg naar de Zuiderzee zocht. Deze zandplaten vormden de eerste contouren van de IJsseldelta.


Belten

Om huis en haard te beschermen tegen de overstromingen, bouwden de bewoners van het Kampereiland hun boerderijen op belten. De eerste belten werden opgericht voor 1682 en in meerdere fasen opgehoogd. De oude belten blijken vaak op oeverwallen te liggen. Dit waren ooit de hoogste gedeelten van het eiland en de meest geschikte plekken voor de landbouw. Erf 1, Erf 17 en Erf 49 zijn voorbeelden van boerderijen die staan op de oudste belten.


Eilandboeren

Op het Kampereiland was bijna iedereen boer. De zogenoemde eilandboeren waren zij die over een eigen erf beschikten. Op deze erven hield vrijwel iedereen koeien en had men twee of drie paarden. Naast de verkoop van melk haalden de boeren tussen 1800 en 1950 een groot deel van hun inkomsten uit de verkoop van hooi. Hier stond het Kampereiland in die tijd om bekend; de boeren waren zelfs leverancier voor de cavalerie en koninklijke stallen. Omdat de gemeente bang was voor roofbouw, werd in 1930 de minimale veebezetting verhoogd. Hierdoor nam de verkoop van hooi af. Daarnaast waren de eilandboeren als pachters van de erven in sommige gevallen verplicht om neventaken uit te voeren. Sommigen woonden in de buurt van de riet- en biesvelden en konden daaraan een goede boterham verdienen in de wintermaanden. Anderen waren verantwoordelijk voor het beheer van de seinpalen, de veerponten of de gemeenschappelijke weiden. Als een neventaak extra inkomsten opleverde was dat interessant en zag je dat vaak terug in de pachtsom. Een verplichting die vandaag de dag nog geldt, is dat pachters zelf de wegbermen moeten maaien die grenzen aan hun landerijen.


Stadsboeren

De stadsboeren hadden een boerderij in de Kamper binnenstad. Hun vee lieten ze grazen op de gemeenschappelijke weiden van het Kampereiland, die tussen Seveningen en De Heultjes lagen. De export van mest naar tuinbouwstreken in het westen was voor hen een belangrijke inkomstenbron.


Arbeiders uit de omgeving

Op de Veluwe waren de boerderijen in het noordoosten relatief klein, waardoor er in de twintigste eeuw niet voldoende werk was voor iedereen. Men ging op zoek naar werk elders, dat onder meer werd gevonden bij de boerderijen op het Kampereiland. Voor deze arbeiders bouwde de gemeente Kampen na de Tweede Wereldoorlog woningen aan de Heultjesweg, Brinkweg, Rechterveldweg en
Mandjeswaardweg, zodat zij een plek in de buurt hadden om te wonen. De woningen aan de Heultjesweg vormen nu de kern van het Kampereiland met een kerk, een ontmoetingscentrum en een basisschool.



Terug naar overzicht
 
 
Logo IJsseldelta